
Groetjes,
Frederique
Moderator: Moderators
Waarom zou het verwijderen uit de DSM ook gelijk exit ICD zijn?Frederique_ schreef: De andere kant is wat jij schrijft. Er moet -natuurlijk- voor gezorgd worden dat de vergoedingen blijven. Als dit uit de DSM/IDC gegooid wordt kan dat een probleem zijn. Aan de andere kant -hoeft- dat natuurlijk niet als je nationale groepen hebt die de ziektekostenverzekeraars/wetgever weten te overtuigen dat niet-DSM/IDC niet betekent dat de behandeling ook niet nodig is.
Dit is al oud, hoor. 1995. Maar de insteek dat de transseksueel een patiënt is en geen klant is wel heel essentiëel voor met name het punt van maatschappelijke solidariteit.Samenvattend zij wij van oordeel dat de transseksueel die transseksualisatie verlangt volgens ons een patiënt en geen klant is en dat deze mens net als anderen een beroep kan doen op de intermenselijke solidariteit om zijn algemeen welzijn (=gezondheid) te bevorderen.
Besluit
Behalve maligne dwangsyndromen is transseksualiteit de enige psychiatrische diagnose die een chirurgische ‘ingreep’ als mogelijke therapeutische consequentie heeft. Medisch-ethische bedenkingen over deze diagnose en haar behandeling zijn noodzakelijk, omdat de veranderingen ingrijpend zijn, zowel op lichamelijk, psychisch, familiaal als sociaal vlak.
Genderdysforie is een niet cultureel gebonden fenomeen, universeel aanwezig. Onze westerse maatschappij, die sterk uitgaat van de dichotomie tussen de twee seksen, heeft de geslachtsaanpassende hormonale en chirurgische therapie als antwoord op het transseksuele lijden.
De psychiatrie heeft de taak de genderdysfore klacht op haar authenticiteit te schatten. Vooral de psychotherapeutische onmogelijkheid de kerngenderidentiteit te beïnvloeden doet de medische wereld besluiten tot een aanpassing van het lichaam. Als de DSM-III-R-diagnose en de Standards of Care gerespecteerd worden, blijken de follow-up-onderzoeken in 90% van de gevallen een bevredigend tot zeer goed resultaat aan te tonen. Tijdens de ‘real life test’, waarin ook psychische begeleiding plaatsheeft, kan de constantheid van de genderdysforie getoetst worden. De test biedt ook de mogelijkheid de niet-genderspecifieke problemen die voor het slagen van de behandeling van grote betekenis kunnen zijn (o.a. niet verwerkte psychische traumata, sociale aanpassing, fysieke bijzonderheden) te evalueren en psychotherapeutisch bij te sturen.
Of er een causaliteitsrelatie is tussen genderdysforie en psychopathologie, en zo ja welke, blijft een boeiend onderzoeksveld.
Deze citaten geven naar mijn idee blijk van een integere manier van kijken naar het probleem. Als je, zoals Frederique, meer als klant behandeld wilt worden, moet je het niet zoeken binnen de medische sector. Dat is vragen om moeilijkheden. Misschien raakt over een aantal jaren de transgenderwereld wel meer geontmedicaliseerd. Dat zal dan wle betekenen dat je e.e.a. zelf zult moeten gaan bekostigen."Extreme gender-dysforie kan, denk ik, langs vele wegen ontstaan. De tweede groep is heel divers. We komen ook mensen tegen die nog altijd autogynefiel zijn."
Voor de patiëntenzorg zou de ontdekking van autogynefilie, als puber of op latere leeftijd, volgens Cohen-Kettenis weinig gevolgen hebben. Want anders dan transseksuelen misschien vrezen, beschouwt zij het niet als een diskwalificatie voor een geslachtsverandering: bepalend is de geestelijke nood waarin mensen verkeren, en of een geslachtsverandering de enige manier is om die te verlichten.